Back to top
Menu

Van klassiek naar middeleeuws Latijn

Marc Van Uytfanghe

Wording van het middeleeuws Latijn

Geleerden als Hugo de Folieto schreven zoals die van nu in een supranationale taal. Vandaag is dat het Engels, toen vervulde het Latijn die rol. Het Latijn van de middeleeuwen is wel gedeeltelijk anders dan het klassiek Latijn. Om dit te begrijpen, moeten we even een aantal feiten uit de rijke geschiedenis van de taal van Rome opfrissen.

Het Latijn was oorspronkelijk niets meer dan één van de Italische dialecten, dat nl. van de Latini die Rome en omgeving (Latium) bewoonden. Alleen door het wapengekletter van de imperialistische Romeinen heeft het Italië en een deel van de wereld veroverd. Bestaande talen (Keltisch, Iberisch, Punisch, enz.) moesten er op de duur voor wijken in het Westen, maar in het Oosten kon het Latijn niet op tegen het prestigieuze Grieks. In contrast met de relatieve ‘vrijheid’ van het Oudlatijn (dat van Plautus bv.) heeft zich sinds (het midden van) de eerste eeuw vóór Christus binnen het geschreven Latijn een gekunstelde, aristocratische literatuur ontwikkeld (ons bekend uit schrijvers als Caesar, Livius, Horatius, Vergilius, e.a.). Dit klassiek Latijn maskeert grotendeels de omgangstaal (het zogeheten ‘Volkslatijn’, waarvan wij in het begin van de keizertijd wel een glimp opvangen in de grafschriften, de graffiti van Pompei en Herculaneum, en bij Petronius.

In de vroege keizertijd en vooral in de late oudheid (vanaf ca. 200 na Chr.) is het Latijn onderhevig geweest aan veranderingen. Na de inlijving van Dacië (± het huidige Roemenië) in 107 bereikt hetimperium Romanum zijn grootste omvang. Het Latijn werd dus wereldtaal. Dit statuut en de groeiende invloed van het christendom hebben mede die veranderingen bepaald. Het christendom  had zich aanvankelijk ook in het Westen bij Griekstaligen verspreid (Paulus schreef zijn brief aan de Romeinen in het Grieks !). In Rome zal het nog tot in de 4de eeuw duren eer de liturgie volledig gelatiniseerd wordt (zelfs nu nog zijn er Griekse relicten, met name het Kyrie eleison van de mis).

De invloed van het christendom op het Latijn is zowel vernieuwend als democratiserend gebleken. Vernieuwend, omdat talrijke Griekse leenwoorden in dit oudchristelijk Latijn gemeengoed zijn geworden (bv. apostolus, baptismus, ecclesia, evangelium, presbyter, schisma) en anderzijds bestaande Latijnse woorden betekenissen hebben bijgekregen (bv. gratia, nu ook ‘genade’, resurgere, nu ook ‘verrijzen’). Democratiserend, omdat de christelijke auteurs, haaks op de antieke retoriek en haar cultus van het fraaie woord, graag de sermo simplex of humilis hanteerden, om ook door de eenvoudigen begrepen te worden. Al hebben de grote (ook klassiek gevormde) kerkvaders van de 4de/begin 5de eeuw (bv. Ambrosius, Hieronymus, Augustinus) stilistisch wel ‘bijgestuurd’, toch worden nu allerlei termen en wendingen uit de volkstaal literair a.h.w. ‘geadeld’ door het christelijk taalgebruik (bv. manducare voor ‘eten’ > Frans mangerdico quod of dico quia i.p.v. dico + infinitiefzin). Dit gebeurde mede onder invloed van het (vaak ‘simpele’) Latijn van de bijbelvertalingen (de Vetus Latina, later de Vulgaat van Hieronymus). Het letterlijk karakter daarvan (eerbied voor het woord Gods, tot zelfs in de woordorde!) oogt terzelfdertijd wel wat ‘exotisch’ (wendingen uit het Hebreeuws en het Grieks).

Wanneer de Germanen het West-Romeinse rijk in de 5de eeuw onder de voet lopen, nemen de overwinnaars de taal van de overwonnenen over als cultuurtaal, zeker na hun bekering tot het katholicisme. Het (nauwelijks geschreven) Germaans had immers niet het prestige van het Latijn (rechtstaal, literatuurtaal, en nu ook de reeds ‘heilige’ taal van het Westerse christendom). In de wirwar van de volksverhuizingen moesten ook de openbare Romeinse scholen eraan geloven (eind 5de, begin 6de eeuw in Gallië). De kerk diende nu zelf in te staan voor de vorming van haar clerus, met de bijbel en de liturgie als ‘eindtermen’ (zoals men nu zou zeggen), en met de profane artes liberales als voorbereiding. Op basis van het compromis van Augustinus met betrekking tot het didactisch aanvaarden van de antieke cultuur, schreven de monniken naast christelijke, ook klassieke teksten over, die zo tot ons zijn gekomen, (zij het dan selectief).

De kerk zal ook gaan missioneren in gebieden waar het Latijn nooit of nauwelijks moedertaal was geweest (in de 5de eeuw reeds in Ierland, later in Engeland, Nederland, Vlaanderen, Duitsland, nog veel later in Scandinavië en sommige Oost-Europese landen zoals Polen). Zij voert daar meteen het Latijn in als cultus- en cultuurtaal en de kerkelijke scholen zullen zelf ook schrijvers voortbrengen. Strikt genomen is dat de eerste vorm van middeleeuws Latijn (‘vadertaal’ i.p.v. moedertaal). In de van oudsher sterk geromaniseerde regionen (de latere ‘Romaanse’ landen) zal het Latijn pas vadertaal worden wanneer men er zich van bewust is dat de geëvolueerde spreektaal een ‘andere’ taal blijkt te zijn dan het geschreven Latijn (begin 9de eeuw in het Frankenrijk, in Italië en Spanje pas veel later). Met zo’n verscheidenheid valt echter praktisch niet te werken. Men laat dus het geschreven middeleeuws Latijn globaal genomen beginnen omstreeks 600 (de laatantieke maatschappij loopt cultuurhistorisch nog door tot in de 6de eeuw).

De basisingrediënten zijn dan inderdaad al samen voorhanden : de continuïteit met het klassiek en het laat Latijn, de bijbel en de oudchristelijke innovaties, de invloed van de sermo simplex, zelfs lexicale ontleningen aan het Germaans. De nieuwe gebieden met het Latijn als vadertaal zullen het territorium van de middellatijnse letterkunde op termijn veel ruimer maken dan dat van de Romeinse (klassieke) literatuur, en dit ondanks het verlies van Noord-Afrika aan de Arabieren en de islam (7de eeuw).

Verdere evolutie

In de Romania van de vroege middeleeuwen drukte de sermo vulgaris nog sterk zijn stempel op het geschreven Latijn (er was nog een organische band tussen spreek- en schrijftaal). De Karolingische schoolhervorming (8ste/9de eeuw), met haar streven naar eenvormigheid maakte het Latijn ‘correcter’ maar ook stroever. Doch het rijpte verder in de klooster- en kathedraalscholen en bereikte in de tweede helft van de 11de en zeker in de 12de eeuw een grote maturiteit en soepelheid. Het is dan de ‘halflevende’ taal geworden van een elite : de  grensoverstijgende respublica litterarum, die eenrespublica clericorum is.

Dat middeleeuws Latijn is niet alleen de taal van de liturgie, het onderwijs, de exegese, de theologie, de filosofie, het recht, de natuurwetenschap, de administratie, maar ook van een waaier aan literaire genres : geschiedschrijving, hagiografie, epiek, polemiek en satire, toneel, dierenepos, brieven, preken,exempla, metrische en ritmische gedichten (deze laatste zijn sprankelend, zowel in de religieuze hymnen als in de vagantenlyriek, bv. de Carmina Burana).

Na de ‘Renaissance van de 12de eeuw’ en de opkomst van de universiteiten (ca. 1200) zal de scholastiek met haar hang naar precisie de Latijnse taal nog verrijken met een veelheid aan abstracte begrippen (men creëert dan bv. het zelfstandige partcipium ens, het ‘zijnde’) en (nu nog gebruikte) academische termen (bv. rector, facultas, baccalaureus, doctorare). Doch de overdrijvingen terzake van de laatscholastiek (‘vertechnisering’) zullen het middeleeuws Latijn doen inboeten aan elegantie en mede de reactie uitlokken van de humanisten (begin van het puristische Neolatijn). Sinds de 13de eeuw ondervindt het Latijn overigens meer concurrentie van de volkstalige literatuur (met ook ‘mengtaal’, met name in administratieve documenten).